In groep 4 beginnen de tafels. Kinderen leren ze één voor één en oefenen ze daarna door elkaar, en bij taal komen de eerste spellingregels, zoals -je of -tje, en het lidwoord: de of het. Een blad per week dat je meegeeft als weektaak past hier goed.
Voor de tafels zijn er Rekenbladen: een aanleerkolom per gekozen tafel boven een oefenrooster waarin de sommen door elkaar staan. Rekenkleurplaat zet dezelfde tafelsommen in een kleurplaat: de uitkomst bepaalt de kleur, dus een fout geeft een vlek die het kind zelf ziet. Splitsingen heeft de tientallensplitsing met en zonder tientaloverschrijding, en Patronen voortzetten geeft getalreeksen met sprongen, met open plekken aan het eind of middenin.
Voor spelling print je Verkleinwoorden met alleen -je en -tje aangevinkt, en De of het met woorden uit een thema of je eigen woordpakket. Woordzoeker maakt van de spellingwoorden van deze week een puzzel, en Bingokaarten zet de tafelsommen op de kaart: jij roept het antwoord, de klas zoekt de som.
Meestal de tafels van 1, 2, 3, 4, 5 en 10, in de volgorde van de methode. Bij Rekenbladen vink je precies de tafels aan die je deze week doet en krijg je een aanleerkolom boven het oefenrooster, met een antwoordblad om na te kijken.
Met een rekenkleurplaat of met bingo. Bij Rekenkleurplaat wordt een plaatje pas mooi als elke som klopt; bij Bingokaarten staat de som op de kaart en roep je het antwoord, zodat de hele klas tegelijk rekent.
De uitgangen -je en -tje: hond wordt hondje, stoel wordt stoeltje. Bij Verkleinwoorden vink je alleen die twee aan; -pje, -etje en -kje komen in groep 5. Het antwoordblad zit erbij.
Andere groepen: groep 1/2, groep 3, groep 5, groep 6, groep 7, groep 8.