Met deze generator maak je een werkblad voor werkwoordspelling. Het kind schrijft de juiste vorm, met d, t of dt. Je kiest de tijden, de personen en de werkwoorden. Het antwoordblad heeft dezelfde opgaven, in dezelfde volgorde.
Er zijn twee opdrachten. Bij een zin staat er een open plek, met het hele werkwoord tussen haakjes erachter. Bij vervoegen staan het werkwoord, de persoon en de tijd op de regel. Het kind schrijft de vorm op de lijn.
Het voltooid deelwoord op dit blad is de werkwoordsvorm, niet een bijvoeglijk naamwoord. „De pen is geleend” hoort erop. „Een geleende pen” niet. Die -e is een andere spelling, en dit blad vraagt die niet.
Meer werkbladen voor groep 6, groep 7 en groep 8.
Groep 6 oefent de tegenwoordige tijd van regelmatige werkwoorden: de stam, en bij jij en hij een t erachter. Groep 7 komt de verleden tijd erbij, en de onregelmatige werkwoorden. Groep 8 oefent alle drie de tijden, de struikelaars, en ook de vorm van u.
De ik-vorm is de stam. Bij jij, u en hij komt daar in de tegenwoordige tijd een t achter: jij werkt, u werkt, hij werkt. Wij en jullie krijgen het hele werkwoord.
Bij inversie valt die t bij jij en bij je weg. Staat het werkwoord vóór jij of je, dan schrijf je de stam: werk jij, werk je, niet werkt jij. Bij u blijft de t staan, ook als het werkwoord vooraan staat: u werkt, werkt u. Bij hij blijft de t ook staan: werkt hij. Bij zijn is het u bent, niet u is.
Bij jij en je zijn kan en kunt, zal en zult, en wil en wilt allebei goed. Bij u zijn hebt en heeft allebei goed. Die vormen komen niet op het blad, want het antwoordblad telt één vorm goed. Bij houden, rijden, glijden en snijden mag de d weg bij ik, en als het werkwoord vóór je of jij staat: ik hou of ik houd, hou jij. In de gebiedende wijs mag de d ook weg: hou afstand. Jij houdt en hij rijdt houden de d.
De verleden tijd en het voltooid deelwoord krijgen -te en -t na een stemloze klank. Na een stemhebbende klank krijgen ze -de en -d. Je kijkt naar de klank van het hele werkwoord, vóór je de z als s schrijft en de v als f. Leven krijgt -de, want de v klinkt als v. ’t kofschip telt de x ook mee. Met de x erbij heet het ’t ex-kofschip. Het werkwoord faxen klinkt als ks, en ks is stemloos, dus faxte en gefaxt.
Eindigt de stam al op t, dan komt er in de tegenwoordige tijd en in het voltooid deelwoord geen tweede t bij: hij eet, niet hij eett, en gepraat, niet gepraatt. In de verleden tijd schrijf je de dubbele letter wél: zette, brandde. Eindigt de stam al op d, dan komt er in het voltooid deelwoord geen tweede d bij: geantwoord, niet geantwoordd, en gebrand, niet gebrandd. De dt in „hij wordt” is wel goed. Dat zijn twee verschillende letters, geen dubbele d en geen dubbele t.
Een onbeklemtoond voorvoegsel be-, ge-, her-, ont-, er- of ver- krijgt geen extra ge- in het voltooid deelwoord: beantwoord, niet gebeantwoord. Horen die letters bij de stam, dan komt de ge- wel. Bij verven, beven en erven is dat zo: geverfd, gebeefd, geërfd.
Je kunt een lijst plakken, één werkwoord per regel. Typ je een werkwoord uit de werkwoordenlijst, dan geldt de vorm van die lijst. Staat het er niet in, dan schrijf je het uit als zwak werkwoord: hele werkwoord = verleden tijd, voltooid deelwoord. Een sterke verleden tijd komt niet op het blad, en een werkwoord met twee goede vormen ook niet. Het antwoordblad telt één vorm goed. Een tweede goede vorm zou een goed antwoord afkeuren.
Zodra één regel klopt, vervangt jouw lijst de groepen. Op een blad met zinnen komt alleen een werkwoord waar al een zin voor is. Een eigen werkwoord zonder zin komt bij vervoegen, waar de persoon en de tijd op de regel staan.
De tegenwoordige tijd, de verleden tijd en het voltooid deelwoord. Je vinkt zelf aan welke tijden meedoen. Het voltooid deelwoord is de werkwoordsvorm, niet de vorm van een bijvoeglijk naamwoord.
Als het werkwoord vóór jij of je staat: werk jij, werk je, niet werkt jij. Bij u en bij hij blijft de t staan, ook als het werkwoord vooraan staat: werkt u, werkt hij. Bij zijn schrijf je u bent, niet u is.
De x klinkt als ks en is stemloos, net als t, k, f, s, ch en p. faxen krijgt dus -te en -t: faxte, gefaxt. De klank telt van het hele werkwoord, vóór je de z als s schrijft en de v als f. Zo houdt leven -de.
Ja. Eén per regel: een werkwoord uit de lijst, of een zwak werkwoord dat je uitschrijft. Een sterke verleden tijd blijft weg, en een werkwoord met twee goede vormen ook. Op een blad met zinnen komt alleen een werkwoord waar al een zin voor klaarstaat.